De Hoge Raad is in een arrest ingegaan op de gebruikelijkheidstoets van de WKR voor de jaren 2012 en 2013.
Daarvoor gelden volgens de Hoge Raad ook de uitgangspunten die sinds 2016 gelden:
- de gebruikelijkheid van de aanwijzing van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsbestanddeel;
- vergelijkingen met de werkkostenregeling voor andere werknemers van dezelfde werkgever; en
- vergelijkingen met werkkostenregelingen voor collega's van de werknemer in dezelfde functiecategorie bij dezelfde werkgever en voor werknemers bij andere werkgevers.
De Hoge Raad verwerpt hiermee de gedachte dat een aanwijzing ongebruikelijk is, uitsluitend omdat het:
- om een hoger bedrag gaat dan € 2.400 per werknemer per jaar; of
- geen vergoedingen en verstrekkingen zijn met een zakelijk of gemengd karakter.
Niettemin lijken deze aspecten in onderling verband wel een rol te kunnen spelen. Bijvoorbeeld als de Belastingdienst aannemelijk maakt dat werkgevers in de regel geen verstrekkingen zonder enig zakelijk karakter aanwijzen als eindheffingsloon als dat samen met andere aanwijzingen leidt tot een hogere aanwijzing dan € 2.400 per werknemer per jaar. Dit is in de onderhavige procedure blijkbaar (nog) onvoldoende komen vast te staan.
Niettemin lijken deze aspecten in onderling verband wel een rol te kunnen spelen. Bijvoorbeeld als de Belastingdienst aannemelijk maakt dat werkgevers in de regel geen verstrekkingen zonder enig zakelijk karakter aanwijzen als eindheffingsloon als dat samen met andere aanwijzingen leidt tot een hogere aanwijzing dan € 2.400 per werknemer per jaar. Dit is in de onderhavige procedure blijkbaar (nog) onvoldoende komen vast te staan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten